Thema Brede welvaart
Wanneer zijn voorzieningen als basisscholen voldoende bereikbaar voor ouders en hun kinderen? In het kader van brede welvaart zocht Marco van Burgsteden (CROW) uit wat ‘voldoende bereikbaarheid’ inhoudt en hoe je die vervolgens in kaart kunt brengen. Dat bleek nog een flinke puzzel.
De Volkskrant kopte op 24 augustus met ‘Dichtstbijzijnde basisschool ligt meestal binnen een kilometer, Drentse kinderen moeten het verst’. Dat lijkt op het eerste gezicht goed nieuws. Als je stuurt op brede welvaart in het mobiliteitsbeleid is het immers fijn dat de nabijheid van deze voorzieningen het mogelijk maakt om er lopend en fietsend naartoe te gaan. Je zou bij zo’n bericht kunnen denken dat de beleidsmedewerker verkeer rustig verder kan met andere vraagstukken. Overigens zien de beweegexperts van het Mulier Instituut dat slechts een kwart van de kinderen dagelijks naar school fietst.
De onderliggende vraag is of dit nu vooral komt door het gedrag van de ouders (en daarmee hun kinderen) of toch doordat die gemiddelde nabijheid genuanceerder ligt. Laten we de cijfers maar eens wat dieper analyseren.
Een gemiddelde zegt niet zoveel
Ten eerste zegt een gemiddelde afstand voor heel Nederland weinig tot niets. De geciteerde CBS-kerncijfers bevatten voor een aantal voorzieningen inderdaad kolommen voor de dichtstbijzijnde basisschool, voortgezet onderwijs, mbo, en hoger. Maar ook voor supermarkten, bioscopen, restaurants en cafetaria’s. En zo nog wat meer. Als je de cijfers op een rij zet, zien we een spreiding van de gemiddelde afstand die kan oplopen tot kilometers. Er zitten dus al grote regionale verschillen in deze afstand. En de vraag is hoe je die weegt. Neem je het gemiddelde van alle buurten? Neem je het aantal inwoners per buurt? Of de gezinnen met kinderen in de basisschoolleeftijd? Of de individuele kinderen in die leeftijd? Dat alleen al verschuift het gemiddelde waarschijnlijk flink.
De dichtstbijzijnde school is niet altijd een optie
Ten tweede gaat het in de berichtgeving over één school die nabij is. Dat maakt deze maat voor de Nederlandse situatie nagenoeg irrelevant. De belangrijkste reden is de Nederlandse grondwet: artikel 23 stelt dat het onderwijs in Nederland vrij is. Je kunt een eigen school oprichten en ouders zijn vrij om een school te kiezen voor hun kind. Dit kan dus betekenen dat de dichtstbijzijnde school, om wat voor reden dan ook, niet bij de gezinnen past die er het dichtst bij wonen. Je zou dus eigenlijk moeten weten waar de dichtstbijzijnde school is die bij specifieke wensen van ouders en kinderen past.
Ten derde is het de vraag of alle scholen voldoende plekken hebben om alle kinderen in de buurt les te geven. Niet iedereen zal naar de dichtstbijzijnde school kunnen. Bij huisartsenpraktijken is dit probleem al langer bekend: de meeste Nederlanders kunnen binnen no-time bij een huisarts zijn, maar veel praktijken hanteren een patiëntenstop door capaciteitsgebrek.
Voldoende bereikbaarheid is een rekbaar begrip
Deze bezwaren hangen onderling samen en leggen de eigenlijke beleidsvraag bloot: wat is ‘voldoende’ bereikbaarheid van basisscholen en hoe meet je die? Zowel de capaciteitsbeperking als het grondrecht op onderwijsvrijheid wijzen naar een bereikbaarheidsmaat die meer dan één basisschool in beeld brengt. Dat is met dezelfde CBS-kerncijfers af te vangen. In dezelfde tabel heeft het CBS namelijk ook scholen binnen een straal van 1, 3 en 5 kilometer geteld. Daarnaast zou je moeten bepalen of die 800 meter (of een andere afstand) dichtbij genoeg is. Dan kun je een kaartje maken met voorzieningen ‘veel en dichtbij’, ‘veel en ver’, ‘weinig en dichtbij’ en ‘weinig en ver’.
Bij beide dimensies (afstand en aantal) heb je dan wel een maatstaf nodig. Iemand moet bepalen wat bijvoorbeeld een acceptabele reistijd is en wat een redelijk aantal voorzieningen binnen die reistijd moet zijn. Ik heb dat toevallig recent uitgezocht voor meerdere voorzieningen, waaronder basisscholen, op grond van dezelfde CBS-cijfers. Ik had vakgenoten gevraagd om aan te geven wat een redelijke reistijd per vervoerwijze is naar verschillende typen voorzieningen. Voor basisscholen is dat tussen een kwartier en 20 minuten. Verder geven deze vakgenoten aan dat minimaal twee basisscholen binnen die tijd voldoende zouden moeten zijn.
Wat doen vervoerwijze, afstand en reistijd met de bereikbaarheid?
Aan de hand van een simpel algoritme kun je dan bepalen of je ergens te maken hebt met dichtbij en veel, dichtbij en weinig, ver en veel, of ver en weinig scholen. Met de gemiddelden van de vakgenoten heb ik de CBS cijfers op kaart gezet. Dat levert geografisch het volgende plaatje op:
Met de auto is alles dichtbij, hoewel in sommige (buiten)gebieden er maar één beschikbaar is. Op de fiets geldt dat binnen die reistijd de meeste mensen wel een basisschool kunnen bereiken, maar dat in de minder drukbevolkte gebieden je langer onderweg bent om meer dan twee scholen te bereiken. Voor lopen geldt dat je eigenlijk alleen in de drukstbevolkte gebieden twee of meer scholen kunt bereiken binnen een, volgens professionals, acceptabele looptijd van circa 18 minuten. Dus op buurtniveau lijkt er (op papier) nog wel wat te verbeteren.
Als je naar de inwoneraantallen kijkt, wordt het plaatje al veel genuanceerder. Op plekken waar je ‘veel en dichtbij’ basisscholen hebt, wonen heel veel mensen. Dus op persoonsniveau lijkt er eigenlijk veel minder aan de hand. Een derde van de bevolking heeft te voet al voldoende aanbod dichtbij, en per fiets is dat al 90 procent. Daarbij lijkt bij een langere reistijd de kans op het vinden van een geschikte school best redelijk, en zou je kunnen stellen dat de auto-afhankelijkheid van gezinnen om bij een basisschool te komen niet groot is, behalve in het rurale buitengebied.
Ongeveer de helft gaat lopend of fietsend naar school
Op basis van wat vakgenoten uit de verkeerswereld aangeven, zou je kunnen aannemen dat er voor basisscholen dus niet zoveel aan de hand is. De bovenstaande analyse verandert als je de grenzen verlegt. Uit onderzoek van het KiM blijkt dat burgers een gemiddelde reistijd van iets boven de 10 minuten acceptabel vinden voor meer dan één basisschool. Daarmee zullen de bovenstaande plaatjes minder rooskleurig uitpakken. Er zullen meer mensen in de ‘veel en ver’ hoek belanden. Het hangt er dus maar vanaf waar je de grens legt voor wat ‘voldoende’ bereikbaarheid is om betekenis te geven aan de afstand naar de dichtstbijzijnde school.
Dan terug naar de zorgen van het Mulier Instituut. Het stelt dat slechts iets meer dan de helft van de basisschoolleerlingen elke dag op een actieve manier naar school gaat, ondanks de nabijheid van scholen. Misschien is de analyse van de Volkskrant op basis van één CBS-cijfer wat kort door de bocht. Maar zelfs met meer nuance blijft, wat mij betreft, overeind staan dat de meeste kinderen prima naar school kunnen fietsen. Er zijn dus andere beleidsmaatregelen nodig om het tij te keren.
Meer lezen
Delen via